Taalontwikkeling gaat goed met cochleair implantaat
Cocheair implantaat. (Bron: © speechpathology.com)
De meeste dove kinderen die voor hun tweede jaar een cochleair implantaat kregen spreken als ze zeven zijn grammaticaal net zo goed als horende leeftijdsgenoten. Ook toonverschillen horen wordt met de nieuwste apparaatjes beter mogelijk.
25 mei bij het LUCL: een workshop en twee promoties over taal en cochleaire implantaten.
Cochleair implantaat
Een cochleair implantaat is een klein elektronisch apparaatje dat chirurgisch wordt geïmplanteerd. Het omzeilt de slecht functionerende delen van het oor en stimuleert rechtstreeks de gehoorzenuw. Met een cochleair implantaat kunnen de meeste doven en ernstig slechthorenden opnieuw geluid, en dus ook spraak, waarnemen. Voor doven en ernstig slechthorenden is dit een duidelijke verbetering ten opzichte van klassieke hoortoestellen, die het geluid alleen versterken.
De komst van het cochleaire implantaat heeft de laatste tien jaar veel taalkundig onderzoek losgemaakt. Aangezien spraakperceptie vooraf gaat aan de ontwikkeling van gesproken taal rijst de vraag hoe gesproken taalontwikkeling - i.t.t. gebarentaal - verloopt bij kinderen met een cochleair implantaat.
Vijftig kinderen
Annemie Verbist en Annemiek Hammer, beiden promovendi bij het Leiden University Centre for Linguistics, volgden vijf jaar lang vijftig dove kinderen die op zeer jonge leeftijd hun implantaat kregen. De taalontwikkeling van deze kinderen werd vergeleken met die van kinderen met een klassiek gehoorapparaat en met een taalontwikkelingsstoornis.
Baby’s
Dankzij vroege gehoorscreening kan de diagnose slechthorendheid al op zeer jonge leeftijd worden gesteld. Hierdoor kunnen cochleaire implantaten op steeds jongere leeftijd worden ingeplant, de laatste jaren zelfs al bij baby’s van enkele maanden oud.
Latere start taalontwikkeling
Vroege implantatie heeft belangrijke gevolgen voor de ontwikkeling van gesproken taal. Hoe eerder een kind toegang krijgt tot gesproken taal, des te eerder de taalontwikkeling van start kan gaan. Maar ook bij kinderen die heel jong een cochleair implantaat hebben gekregen start de taalontwikkeling toch later dan bij horende kinderen; eerst moet immers de diagnose gesteld zijn. ‘Halen deze kinderen hun achterstand in?’ was daarom de belangrijkste vraag van het onderzoeksproject waarop Hammer en Verbist 25 mei hopen te promoveren.
Grammatica
Ze richtten zich op de verwerving van grammatica, een belangrijk stadium in de taalontwikkeling, dat ons in staat stelt informatie met een toenemende complexiteit te begrijpen. De verwerving van grammatica begint rond de leeftijd van twee jaar en loopt door tot de puberteit. De acquisitie van voornaamwoorden en werkwoordsvormen vindt plaats tussen de twee en zeven jaar.
Voornaamwoorden en werkwoorden
Het onderzoek liet zien dat dove kinderen dankzij hun cochleair implantaat op zevenjarige leeftijd evenveel voornaamwoorden (ik, jij, hij etc.) en evenveel vervoegde werkwoorden (loopt, fietst etc.) produceren als hun horende leeftijdgenootjes. Verbist toonde aan dat kinderen die voor hun tweede levensjaar hun implantaat ontvangen eerder het taalniveau bereiken van hun normaal horende leeftijdsgenootjes. Hammer liet daarnaast zien dat op zes- en zevenjarige leeftijd de productie van vervoegde werkwoorden voor kinderen met een cochleair implantaat hoger is dan bij kinderen met een klassiek hoortoestel en kinderen met niet gehoorgerelateerde taalontwikkelingsstoornis.
Toonverschillen
Maar taal is meer dan grammatica. Wat het waarnemen van toonverschillen betreft, evenals het luisteren naar muziek, schiet de huidige generatie cochleaire implantaten nog tekort. Een vragende zin onderscheiden van een bevestigende zin, of het aanwijzen van de klemtoon is bijna niet mogelijk.
Er komt echter muziek in de cochleaire implantaten. In Europees verband is een nieuw type spraakprocessor ontwikkeld dat het horen van toonverschillen beter mogelijk moet maken. Het is een hybride apparaatje dat de voordelen van een klassiek hoorapparaat en een cochleair implantaat combineert.
Testbatterij
Om te testen of dit apparaat doet wat het belooft ontwikkelde dr. Willemijn Heeren, eveneens van het Leiden University Centre for Linguistics, een testbatterij die de waarneming kan meten van toonverschillen die relevant zijn in taal. Het gaat dan specifiek om de lagere frequenties. Heeren: ‘Een significant aantal slechthorenden die in aanmerking komen voor een CI heeft met name een zwaar gehoorverlies in de hogere frequenties. De waarneming van de lagere frequenties kan hierdoor met alleen versterking, als in een klassiek hoorapparaat, worden geholpen. Voor het verstaan van spraak zijn de hogere frequenties belangrijk in het horen van klanken, zoals klinkers en medeklinkers, terwijl de lagere frequenties juist een rol spelen bij het horen van toonverschillen en intonatie. Het nieuwe type implantaat ondersteunt het eigen vermogen tot toonwaarneming, terwijl de klankwaarneming in het hogere frequentiegebied wordt ondersteund door het CI principe.’
Verschillende taalachtergronden
Heeren ontwikkelde de testbatterij samen met collega’s van de universiteiten van Antwerpen, Venetië en Boekarest. Door deze samenwerking konden ze de tests zo maken dat ze bruikbaar zijn voor luisteraars met verschillende taalachtergronden.
Alléén toonhoogteverschillen meten
Heeren: ‘In bestaande tests voor het meten van toonverschillen wordt gebruik gemaakt van óf tooncomplexen, i.e. piepjes, óf natuurlijke spraak, waarin niet alleen de toonhoogte-, maar ook bijvoorbeeld de luidheid en duur variëren. Om de waarneming van alleen toonhoogteverschillen te kunnen meten in stimuli die klinken als spraak is de AE 2009 testbatterij ontwikkeld. Het uitgangspunt was dat de waarneming van tooncomplexen door CI-dragers en andere slechthorenden niet per se representatief is voor de waarneming van toonhoogteverschillen die betekenisvol zijn in taal. De resultaten van ons onderzoek lijken dit te bevestigen.’
Klemtoon
De afgelopen maanden zijn de prototypes van het hybride gehoorapparaat voor het eerst getest en de resultaten zijn veelbelovend. De verwachting is dat gebruikers van een hybride processor minder moeite hebben om de klemtoon in een woord aan te wijzen. Ook kunnen ze beter een vraag van een mededeling onderscheiden.
Promoties en workshop
Dinsdag 25 mei zullen Annemiek Hammer en Annemie Verbist hun proefschrift verdedigen. Voorafgaand daaraan vindt een workshop plaats over taalkundig onderzoek bij gebruikers van een cochleair implantaat. Tijdens deze workshop zal Willemijn Heeren ook de testbatterij toelichten.
Zevende Kaderprogramma en NWO
Heeren deed haar onderzoek in een Leids team dat onder leiding stond van prof.dr. Vincent van Heuven en prof.dr. Johan Rooryck. Dit team maakt weer deel uit van een Europees samenwerkingsverband binnen het Europese Zevende Kaderprogramma. Ook de nieuwe hybride spraakprocessor is uit de middelen hiervan bekostigd.
Hammer en Verbist waren PhD onderzoekers van het door NWO gesubsidieerd VIDI project Morphosyntactic development of children with a cochlear implants: a comparison of children using hearing aids, normally hearing children, and children with SLI, toegewezen aan Prof.dr. Martine Coene (Leiden/ VU), in samenwerking met prof.dr. Johan Rooryck en Prof. dr Steven Gillis (Antwerpen).
Workshop
Beyond Hearing: Current investigations in listening and language skills of cochlear implant users
Promoties
- Annemie Verbist, The acquisition of personal pronouns in cochlear-implanted children
Promotoren: prof.dr. J.E.C.V. Rooryck, prof.dr. S.Gillis (Univ. Antwerpen) en prof.dr. M.M.R. Coene - Annemiek Hammer, The acquisition of verbal morphology in Cochlear Implanted and Specific Language Impaired children
Promotoren: prof.dr. J.E.C.V. Rooryck, prof.dr. S.Gillis (Univ. Antwerpen) en prof.dr. M.M.R. Coene (VU A'dam)
--------------------
Language Diversity in the World is een van de onderzoeksprofileringsgebieden van de Universiteit Leiden