Rijksmuseum voor Volkenkunde
In 1816 werd het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in Den Haag gesticht. Tot die tijd bevonden etnografische verzamelingen in Nederland zich voornamelijk in privécollecties. De komst van dit Koninklijk Kabinet was een eerste poging om een rijksmuseum te creëren. Effert reconstrueert de motieven van de verzamelaars achter de privécollecties, de opkomst van rariteitenkabinetten, de samenstelling van de collecties en de stappen die gezet werden om tot een rijksmuseum te komen.
Rudolf Effert
Royal Cabinets and Auxiliary Branches. Origins of the National Museum of Ethnology 1816-1883
Nummer 37 in de serie Mededelingen van het Rijksmuseum voor Volkenkunde, CNWS Publications, Leiden 2008, ISBN 978-90-5789-159-5, 340 pp., € 45,00
Legaat
De start van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden bestond uit een legaat van hoofdzakelijk Chinese objecten, voorwerpen van het koninklijk huis en stukken met betrekking tot de vaderlandse geschiedenis. De eerste directeur, R.P. van de Kasteele, stimuleerde rijksambtenaren en reizigers naar de Oost om ten behoeve van het kabinet te verzamelen. Al gauw richtte de aandacht zich op Japan. Via hun vestiging op Deshima hadden dienaren van de VOC exclusief toegang tot Japanse zaken. De drie belangrijkste verzamelaars in Japan in de eerste helft van de negentiende eeuw waren Jan Cock Blomhoff, Johannes van Overmeer Fisscher en Philip Franz Von Siebold.
Von Siebold
Von Siebold vestigde zich met zijn privéverzameling in 1832 in Leiden. Deze verzameling werd beschouwd als deel van het Koninklijk Kabinet in Den Haag en was aanvankelijk bekend als Rijks Japansch Museum Von Siebold. Conrad Leemans die indertijd de directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden was, nam het beheer in 1859 van Von Siebold over. In 1864 veranderde de naam in Rijks Ethnographisch Museum. Leemans richtte zijn aandacht voornamelijk op Nederlands Oost-Indië.
Populair
Lindor Serrurier die in 1880 Leeman opvolgde, was de eerste directeur met een etnologische achtergrond. Het Koninklijk Kabinet in Den Haag was populair bij het publiek tot het in 1883 gesloten werd en de etnografische collecties in Leiden bij elkaar gebracht werden, waar ze nog steeds de basis vormen van het Rijksmuseum voor Volkenkunde.
Nieuwe visie
Effert heeft zich gebaseerd op uitgebreid onderzoek in het archief van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden. Hij pleit voor een nieuwe visie op de relatie tussen de drie belangrijkste verzamelaars van etnografisch materiaal in Japan in de eerste helft van de negentiende eeuw. Hij beweert dat de wetenschappelijke bijdragen van twee van hen, Cock Blomhoff en Overmeer Fisscher, tot nu toe zeer zijn onderschat.
Rudolf Effert studeerde culturele antropologie in Leiden en promoveerde in 2003. Zijn onderzoek omvat de geschiedenis van de Nederlandse etnografie en culturele antropologie in de negentiende en twintigste eeuw.
(14 oktober 2008/SH)